Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AR8659

Datum uitspraak2004-12-23
Datum gepubliceerd2005-01-03
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureVerzet
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers04/1171 WUV + 04/1172 WUV
Statusgepubliceerd


Indicatie

De Raad stelt vast dat in verzet en ter zitting geen gronden naar voren zijn gebracht die tot gegrondverklaring van het verzet dienen te leiden. Verzet is derhalve ongegrond.


Uitspraak

04/1171 WUV 04/1172 WUV U I T S P R A A K met toepassing van artikel 17 van de Beroepswet in samenhang met artikel 8:55 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de gedingen tussen: [opposante], wonende te [woonplaats], opposante, en de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, geopposeerde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN De Raad heeft bij uitspraak van 1 juli 2004 het door opposante ingestelde beroep tegen de ten aanzien van haar door geopposeerde genomen besluiten d.d. 24 december 2003 niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat het beroepschrift niet tijdig bij de Raad is ingediend. Tegen die uitspraak heeft opposante verzet gedaan bij brief van 16 juli 2004. Het verzetschrift is op 20 juli 2004 ter griffie van de Raad ontvangen. Het verzet is behandeld ter zitting van de Raad van 11 november 2004, waar opposante in persoon is verschenen. Geopposeerde heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door mr. C. Vooijs, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad. II. MOTIVERING De Raad stelt vast dat in verzet en ter zitting geen gronden naar voren zijn gebracht die tot gegrondverklaring van het verzet dienen te leiden. Hiertoe heeft de Raad overwogen dat hetgeen door opposante in verzet wordt aangevoerd, te weten dat opposante ziek was en slechtziend is waardoor zij afhankelijk is van anderen voor handelingen als schrijven, niet kan worden aangemerkt als omstandigheid op grond waarvan redelijkerwijs zou moeten worden geoordeeld dat opposante niet in verzuim is geweest. De Raad stelt vast dat opposante, naar zij ter zitting heeft verklaard, wel in staat is tot lezen, zij het met hulpmiddelen en dat zij derhalve kennis heeft kunnen nemen van het bestreden besluit en de daarbij behorende beroepsclausule zonder hulp van anderen. De Raad is van oordeel dat het op de weg van opposante had gelegen om maatregelen te nemen, bijvoorbeeld het (tijdelijk) inschakelen van een zaakwaarnemer, om tijdige indiening van het beroepschrift - desnoods met vermelding van summiere, later aan te vullen gronden - te verzekeren. Uit het vorenstaande volgt dat het door opposante gedane verzet ongegrond dient te worden verklaard. Met toepassing van artikel 8:55 van de Awb wordt daarom beslist zoals hierna in rubriek III is aangegeven. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake een vergoeding van proceskosten. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Verklaart het verzet ongegrond. Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. G.L.M.J. Stevens en mr. H.R. Geerling-Brouwer als leden, in tegenwoordigheid van A. de Gooijer als griffier en uitgesproken in het openbaar op 23 december 2004. (get.) C.G. Kasdorp. (get.) A. de Gooijer. HD 07.12